Dinsdag 24 mei 2016

Eigenrichting op het internet

Vlak na de aanslagen in Parijs in november 2015 kondigde het altijd pompeuze hackersverbond ‘Anonymous’ weer eens grootschalige cyberaanvallen aan met dit keer als doelwit (opnieuw) de Islamitische Staat (IS).((http://www.theguardian.com/technology/2015/nov/17/anonymous-war-isis-hacktivist-group-confirms.)) Door acties zoals het neerhalen van websites en het openbaar maken van gegevens van Syriëgangers zien Anonymous-leden zichzelf graag als de uitdelers van rechtvaardigheid. Daarbij rijst natuurlijk de vraag: zijn deze duizenden digitale Batmans wenselijk en zo nee, hoe voorkom je dan dat zij met hun ‘rechtvaardigheid’ rond gaan smijten? Daarnaast speelt nog de kwestie over hoe hun handelen zich verhoudt met het Nederlandse recht.

‘Digilantisme’

Er bestaat een term voor het handelen van Anonymous, namelijk vigilantisme ofwel het recht in eigen hand nemen. Een van de bekendste voorbeelden daarvan is waarschijnlijk ‘Robin Hood’, die stal van de rijken om het vervolgens aan de armen uit te delen. Door de komst van het internet is het voor vigilantes mogelijk geworden om ook te opereren in het digitale domein. Deze relatief nieuwe vorm van ‘doe-het-zelf-justitie’ wordt daardoor regelmatig aangeduid met de term ‘digilantisme’.((http://techcrunch.com/2013/04/21/dawn-of-the-digilante/.)) Er zijn tal van manieren waarop men gestalte kan geven aan digitaal vigilantisme: zo kan men denken aan het bemachtigen van documenten die een bedrijf incrimineren, het publiceren van filmpjes waarop strafrechtelijk gehandeld wordt of het neerhalen van een website. Overigens hoeven de daden waartegen men als vigilante optreedt niet per definitie plaats te vinden op het internet om te spreken van internetvigilantisme, het handelen van de vigilante daarentegen wel. Het is dus niet relevant of iemand racistische berichten op Twitter geplaatst heeft of iemand een ander mishandelt in de niet-digitale wereld; zolang de vigilantes maar actie ondernemen via het internet. Dit zouden zij dus kunnen doen door een naam of adres te publiceren. Soms zijn de verdenkingen gegrond, maar dit is lang niet altijd het geval. Steeds vaker hoor je over mensen van wie ‘fouten’ of ‘misdaden’ op internet geplaatst worden, waarna er heuse heksenjachten op hen ontketend worden.((Zie bijvoorbeeld: http://www.trouw.nl/tr/nl/4496/Buitenland/article/detail/3428125/2013/04/19/Online-jagen-op-daders-Boston.dhtml))

Oorzaken

Voor deze toename van internetvigilantisme zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een vrij vanzelfsprekende oorzaak is de nog steeds toenemende internetdichtheid. Ook is het maken van contact tussen internetgebruikers de laatste jaren aanzienlijk vergemakkelijkt door tal van middelen, zoals onder andere sociale media.

De internetdichtheid en stijgende connectiviteit leiden ook tot een toename van ‘cybercriminaliteit’.((https://www.bof.nl/live/wp-content/uploads/Rapport-Nationale-Recherche-KLPD-Overall-beeld-Aandachtsgebieden.pdf.)) Dit laatste is natuurlijk ook meteen een van de redenen voor internetvigilantisme. Het gebrek aan overheidscontrole in het digitale domein is daarbij pijnlijk. Handhavingsdiensten hebben vaak te weinig expertise.((https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/Lectoraten/cybersafety/Documents/Kennis%20cybercrime%20schiet%20tekort.pdf.)) Als gevolg hiervan is ook de daadkracht en het animo om een onderzoek in te stellen naar aanleiding van internetcriminaliteit vaak kleiner.

Enerzijds ziet men dus een toename in het aantal mensen dat slachtoffer wordt van internetcriminaliteit en anderzijds een overheid die niet in staat is om deze feiten adequaat aan te pakken. Erg verwonderlijk is het dan niet dat vigilantes in dat gat springen door bijvoorbeeld de gegevens van een marktplaatsoplichter op Facebook te plaatsen. Een internetvigilante houdt zich daarbij aan een stuk minder regels en richtlijnen dan de overheidsdiensten en beweegt dus aanzienlijk vrijer.((Zo moet de politie zich in beginsel houden aan tal van regels omtrent de verwerking van politiegegevens en de opsporing van verdachten. Zie bijvoorbeeld https://www.om.nl/organisatie/beleidsregels/overzicht-0/opsporing-politie/@86280/aanwijzing-2/.))

Juridische aspecten

Dat internetvigilantes zich minder aan regels houden betekent overigens niet dat deze regels er niet zijn. In Nederlands dient het strafrecht onder meer om eigenrichting zoveel mogelijk te voorkomen. Er is in Nederland weliswaar geen gecodificeerd verbod, anders dan in bijvoorbeeld het Franse en Belgische privaatrecht, maar het is wel een algemeen aanvaard rechtsbeginsel en kan dus zeker aan bod komen in een rechtszaak. Rechters zijn in het algemeen niet erg gecharmeerd van eigenrichting, omdat zij rechtspreken (terecht) als een taak van henzelf beschouwen.

Ook leidt het eerder genoemde publiceren van identificerende gegevens, zoals namen, vrijwel altijd tot conflicten met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).((Paapst, M. H. (2011). Alleen de politie mag beelden van verdachten op internet zetten. Reformatorisch Dagblad.)) Recentelijk is een wetsvoorstel door de Eerste Kamer goedgekeurd, waarin het Autoriteit Persoonsgegevens (AP) nieuwe bevoegdheden krijgt om in dergelijke situaties boetes op te leggen. Deze wet zal op 1 januari 2016 ingaan. Inmiddels heeft het het College bescherming persoonsgegevens (CBP) al een concept beleidsregels gepubliceerd met betrekking tot boetes.((https://cbpweb.nl/nl/nieuws/cbp-publiceert-conceptboetebeleidsregels.)) Reden te meer voor de winkelier om twee keer na te denken voordat hij de foto van een winkeldief online zet.

Naast de Wbp moet men ook rekening houden met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) waarin inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in beginsel verboden wordt. Als laatste is er dan nog de Auteurswet (Aw), waarin onder meer het portretrecht is geregeld. Indien men een foto van een vermeende crimineel publiceert zal men snel in strijd handelen met artikel 21 Aw. Daarvoor is onder andere toestemming nodig en zal een dergelijke publicatie in strijd zijn met het redelijk belang van de crimineel.((Zie bijvoorbeeld: http://jure.nl/ecli:nl:rbams:2004:aq7877.)) Ook is dit strafbaar gesteld in artikel 35 Aw.

Digilantisme kan ook problemen opleveren bij de opsporing en vervolging van criminelen. Het neerhalen van Twitteraccounts van IS-leden door Anonymous werd niet erg gewaardeerd door inlichtingdiensten, die via de daarop geplaatste berichten veel informatie vergaarden.((http://metro.co.uk/2015/11/22/how-anonymous-war-with-isis-is-actually-harming-counter-terrorism-5518089/)) Daar komt bij dat veel van de digitale gegevens niet kunnen worden gebruikt in strafprocessen of dat verdenkingen naderhand juist volledig onterecht blijken. Aan de andere kant is er natuurlijk ook het bewijs dat wel benut kan worden in het strafproces, maar ook hier zitten haken en ogen aan. Zo spreken strafrechtadvocaten Spong en Van Ardenne hierbij over het witwassen van bewijs; Justitie kan informatie laten vergaren door particulieren en aanvoeren als bewijs en zo de strenge voor henzelf geldende regelgeving omzeilen.((http://www.beveiliging.nl/nieuws/politie-waarschuwt-voor-eigenrichting-via-sociale-media.)) Ook dit is geen wenselijke situatie in een rechtsstaat.

Preventie

Eigenrichting is bijna per definitie onwenselijk omdat het een indicator is van een falende overheid. Digilantisme staat daarnaast in veel gevallen op zeer gespannen voet, zo niet is in strijd met het Nederlandse recht. Het publiceren van identificerende gegevens is bijvoorbeeld niet zomaar toegestaan zoals blijkt uit de Wbp, het EVRM en de Auteurswet. Deze vorm van vigilantisme dient dus zowel voorkomen als bestreden te worden. Daarbij is onder andere van belang dat het vertrouwen in justitie wordt hersteld. Dit is te bereiken door de ICT-capaciteiten te verbeteren van de handhavingsdiensten zoals de nationale politie en het CBP. Daarbij kan men denken aan het aannemen van specialisten of het uitbreiden van bevoegdheden, waarbij de informatiegrondrechten zo veel mogelijk moeten worden geëerbiedigd. Hoe beter overheden in staat zijn om strafbare feiten te voorkomen en eventueel te vervolgen, hoe minder snel men het heft in eigen hand neemt.